Klokken om de tijd te meten

Met het ontwikkelen van de menselijke beschaving voldeden natuurklokken niet meer. Het was niet meer voldoende naar de stand van de zon te kijken, er waren hulpmiddelen nodig, die het precieze tijdstip konden aangeven, altijd en overal. Het ontstaan van klokken.

Tijd meten

Tot aan het begin van de middeleeuwen was het voldoende een tijdstip bij benadering te weten. Met het ontwikkelen van een redelijke kalender waren dagen, seizoenen en jaren behoorlijk ingekaderd. Nog niet nauwkeurig genoeg, maar er viel mee te werken. Het tijdstip op de dag kon worden bepaald door naar de stand van de zon te kijken, of gebruik te maken van zonnewijzers.

Dagverdeling

Aanvankelijk was de dag niet in uren verdeeld, zoals wij dat tegenwoordig doen. Een etmaal bestand uit een dag- en een nachtdeel, ieder verdeeld in twaalf perioden of uren. Dat betekende dus ook, dat een uur op een zomerdag langer was, dan een uur op een winterdag.  Hoewel het systeem min of meer werkte, was het niet geschikt om nauwkeurige tijdstippen te bepalen. Met het opkomen van de handel enerzijds, en het voldoen van kerkelijke plichten anderzijds, werd de behoefte aan een beter systeem groter.

De eerste mechanische klok

Met het ontwikkelen van techniek en technische hulpmiddelen ontwikkelden zich ook de mogelijkheden een apparaat te maken, dat de tijd exact zou aangeven. Het eerste werkende mechanische uurwerk werd, voor zover we weten, ontwikkeld en gebouwd aan het begin van de veertiende eeuw, in het Benedictijnenklooster Saint Albans, door Richard van Wallingford. Dank zij dit apparaat, dat niet alleen uren aangaf, maar zelfs de bewegingen van enkele hemellichamen, kon de tijd eindelijk wat preciezer worden bepaald.

Kerkklokken

Het volk gebruikte nog steeds de verdeling van de dag, zoals ze die gewend waren. Klokken waren voor de man op de straat onhanteerbaar, onbetaalbaar en onbereikbaar. De Kerk zag wel wat  in de nauwkeurige tijdsaanduiding, het maakte het mogelijk momenten van eucharistievieringen nauwkeuriger te bepalen. Kerken, met name kerktorens, werden voorzien van kerkklokken.

Steden

Niet alleen voor de kerk, ook voor de steden werden klokken steeds belangrijker. Een klok in de stad gaf enerzijds duidelijkheid als het over handelsafspraken ging. Anderzijds gaf het de stad extra prestige als er een klok in de stad aanwezig was. Religieuze en wereldse invloeden maakten, dat op het eind van de veertiende eeuw in elke zich respecterende stad wel een klok aanwezig was.

Standaard

Omdat er steeds meer klokken kwamen, gingen de mensen steeds meer werken met een dag die in gelijke delen verdeeld was, gestandaardiseerde uren dus. De ouderwetse tijdsaanduiding werd overbodig. Het had, als je afspraken met anderen wilde maken, geen zin meer om naar de stand van de zon te kijken. De mensen gingen gebruik maken van de nieuwe uren, die zomer en winter even lang waren. Dat maakte meteen weer, dat de behoefde aan klokken overal nog meer toenam. Behalve kerken, kloosters en steden, maakten ook de edelen gebruik van de nieuwe klokken. Op het platteland bleef overigens de zon nog lang de tijdindiator, klokken waren te duur, en het dorp met kerkklok te ver weg.

Standaard, maar niet hetzelfde

Hoewel er op veel plekken voortaan gebruik gemaakt werd van klokken, waarop de dag in gelijke uren was verdeeld, betekende dat nog niet, dat dit overal hetzelfde was. Er zou nog een lang proces nodig zijn, om de klokken van verschillende kerken en kloosters op elkaar af te stemmen. Of de klokken van steden onderling. Om een uniforme tijd te hanteren, moeten er heldere afspraken worden gemaakt. Je moet één tijdsaanduiding als standaard instellen, alle andere klokken moet je daarop afstemmen. Lastig, want dat betekende dat je de tijd die op de klok van een ander stond als waar moest aannemen en dus die van jezelf als fout. De volgende stap was dus het op elkaar afstemmen van de gehanteerde tijd.